We zien niet "met" maar "in" het oog

Om nu het wereldbeeld geheel van optische schijn te ontmaskeren, is het noodzakelijk terdege te memoreren wat zien is, waardoor het ons duidelijk kan worden hoe er in het denkleven een wereldbeeld ontstond in strijd met de werkelijkheid.

Moet u eens luisteren: ik ontmoette een aandachtig aan de arbeid zijnde landschapschilder en nam met interesse nota van hetgeen hij er van terecht bracht. Het viel me verre van tegen: er ontstond op het doek een fraai vergezicht in onberispelijk perspectief. Mij onnozel houdend, vroeg ik: Meneer, hoe komt het toch dat alles, naarmate het verder is verwijderd, almaar kleiner wordt? "Wat vroeg u?" zei hij, onderwijl hij me van mijn hoed tot mijn schoenen taxeerde. Ik vroeg: Hoe komt het dat alles kleiner wordt naarmate de dingen verder zijn verwijderd. "Dat komt door het perspectief", antwoordde hij gewichtig. Ik zei: Ja, dat heb ik al meer gehoord, maar waar is nu eigenlijk het perspectief? De kunstschilder stond kennelijk beduusd en trok zijn schouders op. Ik vervolgde: Ik beschouw u als mijn leermeester, meneer; waar toch ontstaat het perspectief? Het antwoord luidde nu grimmig kort: "Daar.....in het gezichtsveld!"

Ik gedroeg me of ik zo dom was als een os. Waar? vroeg ik, nieuwsgierig naar alle kanten heen ziende....En met zijn armen naar het landschap zwaaiend, zei hij met luide stem als tegen dovemansoren: „Daar!...." Ik tuurde.....en trok nu op mijn beurt de schouders op. Je had dat gezicht van die schilder moeten zien.... Ik zie ginds geen perspectief, althans niet wat men onder perspectief verstaat, ik dacht dat het perspectief alleen maar in het oog bestond, voegde ik er aan toe. Het drong klaarblijkelijk niet tot de kunstenaar door dat hij er ingevlogen was en dat hij een nul op zijn rapport zou krijgen als hij mijn leerling was. Hij werd nijdig, nam het penseel weer op, keerde mij de rug toe en verdiepte zich weer in zijn schilderstuk. Hij dommelt liever door, dacht ik, en ging heen.

Een paar dagen later bleek dat de wonderen de wereld nog niet uit zijn, want toen ik in de trein zat en deze op het punt stond te vertrekken, kwam hij dezelfde coupé binnen stappen en nam hijgend naast me plaats. Of hij me nog kende? Ik denk het niet, omdat ik mijn zonnebril op had. Ik liet hem eerst een beetje tot bedaren komen en vroeg hem toen zo en passant: Heeft u er ook over nagedacht waar men nu eigenlijk het perspectief ziet? "Loop naar de maan!" antwoordde hij, terwijl hij mij opeens herkende. En zonder verder een woord te zeggen stond hij brommend op en ging naar een andere coupé....Sindsdien heb ik hem niet meer ontmoet.

De gevolgen waren echter, dat ik zijn bevel nog dezelfde dag opvolgde en dus een bezoek aan de maan ging brengen, zij het dan door met mijn kleine telescoop de maan-formaties nogmaals en met bijzondere aandacht te bespieden. Wat ik toen ontdekte, daarvan kunt u zich geen denkbeeld vormen; straks zal ik het u vertellen als de maan ter sprake komt.

Hoeveel kunstschilders zijn er niet die niet eens weten wat ze schilderen! Wanneer je van je bed opstaat dan open je de ogen en je schildert - heel vanzelfsprekend - dat wat je aandacht trekt. Dat het voorbeeld tot hen komt, en niet zij tot het voorbeeld, hebben de meesten niet door.

oog

Men denkt doorgaans dat men de dingen natuurgetrouw op het doek uitbeeldt, zonder enig besef dat men slechts zijn eigen oogbeeld schildert waarin men zich - intern - verdiept. Hoe de wereld er echter uitziet als men zijn ogen gesloten heeft, daaraan denkt bijna niemand. Met toegesloten ogen bevinden we ons - controleerbaar - in een wereld zonder perspectief. Bij het openen der ogen flitst, sneller dan men het kan denken, de perspectivische projectie als een optisch-toegesloten "vergezicht" weer in het oog.

Wat is nu het gezichtsveld? Tien tegen één dat u zich met het antwoord vergist, hoewel u, als u goed hebt opgelet, het juiste antwoord nu wel moet kennen. We resumeren: - Het gezichtsveld is niet om ons heen, niet ginds, het bevindt zich uitsluitend en alleen in het oog, in lenzen, zonder meer. Een nieuw geluid? Welnee, het is een oud geluid dat echter veronachtzaamd werd ten aanzien van het wereldbeeld dat onderwijs ons eigen maakte. Mijn visie strookt immers volkomen met de algemeen geldende wetenschappelijke verklaring van het zien. Inderdaad een axioma. Streng wetenschappelijk genomen zoudt u mij dus, persé niet kunnen zien als er geen twee poppetjes in uw oogspiegels zouden verschijnen, welke u zich - stereoscopisch - als één poppetje bewust wordt.

Ik heb een man gekend, die vanaf zijn tiende jaar blind was. Toch beweerde hij dat hij wel licht zag; gelijk u en ik het zien op de witte wand vóór de aanvang van een filmvoorstelling, wanneer er nog geen lichtbeelden op worden geprojecteerd. De blinde zag, met open ogen, wel licht maar geen lichtbeelden. Zijn ogen waren geen spiegels maar gelijk matglas.

Men placht wel eens te zeggen: "Het oog is het venster der ziel". Niet juist. Het ziele oog is het venster, niet de lens in het masker.

We vinden het "keer in tot uzelf" een wijze raadgeving. Maar....kan men wel tot zichzelf inkeren? Neen, als men externo als de mens beschouwt. De wezenlijke mens heeft een volmaakt ziele-oog dat ik - in afwijking met de gangbare verklaring - interno blijf noemen.

lnterno nu ziet in de ooglenzen van zijn masker een cinematografische filmvoorstelling, waartoe talloze electro-signaaltjes via de zenuwdraadjes, via de hersenen, het interno bewust aanschouwelijk maken. lnterno ziet dus niet met, maar in het materie-oog. Hieraan verbind ik: De fotograaf neemt geen foto met, maar in de camera. De landmeter meet niet met, maar in de theodoliet. Geen drievoudige logica?

Aanschouwelijke feiten

U heeft misschien ook wel eens, gelijk als ik, de ervaring opgedaan dat u, terwijl u op het strand lag en de blik richtte op de wolkenhemel, het volgende zag: :ik - interno - zag mijn eigen externe kijkers als één enorme kristallen koepel waarop zich duizenden vochtdeeltjes bewogen. De heldere koepel met de massa glinsterende parels scheen eenzelfde omvang te hebben als de wolkenhemel. Er was namelijk tussen de wolken en mijn oogspiegelkoepel geen afstand. Ik kwam aanschouwelijk tot de overtuiging dat ik de projectie van de wolkenhemel in mijn materie oog grandioos vergroot zag. En dat zulke vergrotingen met de projecties geldt voor alle dingen, behoeft natuurlijk geen betoog. De weerspiegelende gezichtskoepel heeft nochtans een relatief volume. Individueel draagt elk zijn eigen - wisselend - gezichtsveld mee. Dit stereoscopisch gezichtsveld, waarvan het relatief volume zich niet laat berekenen, varieert van het ene aspect in het andere overgaand, naarmate men zich voortbeweegt. En men leeft doorgaans in de waan alsof het stereoscopisch beeld de werkelijkheid is. Bij intensief spieden zijn de oogspiegels elkaar wederkerig behulpzaam op zulk een actieve-wisselende wijze, dat men met de meest geniale activiteit amper actief genoeg is om intuïtieve-activiteit van zijn eigen geest bewust te controleren.

Wanneer men de dingen direct zag, had men immers geen draaibare ooglenzen nodig: we konden in een flits alles zien, zonder ook maar iets te ontzien, zoals een cameralens niets ontziet en in een flits alles, tot in de finesses, op de gevoelige plaat vastlegt in het perspectief door tussenkomst van het lens-medium. We zien dus niets direct, alles indirect. Hetgeen we zien is alleen maar een cinematografische film.

Hoe voortreffelijk nu het levende filmbeeld ook is, het is en blijft een beeld waar we niet doorheen kunnen zien. Op het eerste gezicht rondkijkende spreekt men dit allicht tegen; men zal er makkelijk de spot mee drijven, maar men zij er niet te haastig mee, opdat men zich hoede voor een demonstratie van zijn eigen onnozelheid.

Hoewel de beeldhouwer in drie dimensies werkt, neemt ook hij van het werkstuk slechts twee dimensies waar - de derde dimensie kan hij met het wenden en keren van het werkstuk tastbaar controleren. Ouspensky merkte ook zeer terecht op: "Het driedimensionale lichaam dat wij zien, verschijnt als een enkele figuur, een van een serie beelden op een cinematografische film".

Hoe moet men het nu verklaren dat men het stereoscopisch filmbeeld in het oog zo enorm vergroot aanschouwt? Ik interpreteer het zo: Achter de bolle oogspiegel bevindt zich - omgekeerd - een tweede bolle spiegel, overeenkomend met een dubbele cameralens, namelijk de voorste en de achterste pool. De achterste pool van het oog is echter minder gekromd dan de voorste pool. Het ziele oog nu treedt bij het ontwaken in de achterste pool en vereenzelvigt zich ermee waardoor het met de glasachtige materie een holle hoog-gevoelige spiegel wordt. In waaktoestand is dus de holle spiegel een bewuste spiegel. Telescopisch ingesteld nu ontwaart de bewuste spiegel de bolle spiegel er voor enorm vergroot, zowel als het filmbeeld erin. Het wezenlijke oog bevindt zich dus wel op een koninklijke plaats in een kleine en tegelijk relatief enorme spiegelzaal met een koepelvormig einde. Het ziet het stereoscopisch beeld heel wijd en diep, het beeld van het heelal als ware het onmetelijk!.....

Het vereist het nodige zelfonderzoek om het wonderbaar mysterie van het zien te doorgronden. Zolang men de materialistische verklaring van het zien onaanvechtbaar acht, leeft men in een naïeve onwetendheid. Dit is volstrekt geen schadelijk tekort. Wel echter voor degenen die het wereldbeeld onderwijzen aan de jeugd. Toch voorspelt men (bijna) nauwkeurig de zonsverduisteringen. Ontegenzeggelijk, maar als men zou uitgaan van de basis "platte aarde" en het optisch naar de aarde buigend hemelbeeld met de daarin optische boogbaan van het zonnebeeld doorberekent alsof de zon onder de aarde door gaat, kan men tot eenzelfde slotsom komen. Dacht u, dat, wanneer er nimmer aan een bolronde aarde was gedacht, men dan met het nodige statistisch materiaal betreffende vele zonsverduisteringen in het verleden, niet evenzeer de verduisteringen had voorspeld? Had in de zesde eeuw voor Christus de grote filosoof Thales, die geloofde dat de aarde als een plat landrijk in het water dreef, een bol nodig om met de meeste nauwgezetheid zonsverduisteringen te voorspellen? Neen immers.

Als men een holle spiegel vlak voor zijn gezicht houdt, ziet men zijn gelaat monsterachtig groot. Dit leidt tot de telescopische gevolgtrekking dat ons ziele oog, geassocieerd met de achterste oogpool als holle spiegel, het stereoscopisch filmbeeld in de voorste oogpool niet alleen enorm vergroot ziet, doch wel zo briljant dat men zich niet behoeft te schamen als men van kindsbeen af niet tot de gedachte kwam, dat het wonderbare schouwspel slechts een cinematografische film is zonder meer.

Een dame stelde me de vraag: "Hoe kunnen wij nu in onze kleine kijkers de sterrenhemel zo ontzaglijk groot zien?" Hoe groot bedoelt u, vroeg ik haar. "Wel, ik bedoel zo groot als we hem zien!" Ze begreep niet dat geen sterveling ter wereld hier ooit het juiste antwoord op kan geven, De knapste mathematici zullen het antwoord in de positieve zin van het woord schuldig blijven. Ik antwoordde haar: We zien in het oog enorm vergrote, in grootte wisselende beelden, waarvan wij, tijdens het verblijf in het materielichaam, nimmer de ware grootte kunnen meten, noch vatten, noch schatten.

"Dank u", sprak ze, doch ik had in de gaten dat zij er niets van begreep. Toch was haar vraag niet mals. Wat doet het er trouwens ook toe of het heelal in doorsnee een miljard lichtjaren, een miljard lichtdagen, lichtminuten of seconden meet. Denk u eens in: Als vannacht, tijdens onze slaap, het heelal bij toverslag eens duizend maal kleiner werd; als alles, de aarde met haar bergen, bossen, onze woningen en alles evenredig met onszelf duizend maal kleiner zou zijn geworden; als onze kapitale woningen zo klein geworden waren als de voormalige luciferdoosjes en wij zo groot als de mieren gisteren - we zouden bij het ontwaken van het hele toverstuk geen flauw vermoeden hebben. De micro-astronoompjes zouden even gewichtig als voorheen in de duizend maal kleinere telescoopjes blijven kijken en hun wiskundige formules behielden dezelfde waarden.

In een microscoop lijkt een nietige waterdroppel een wereld op zichzelf, vol van schoonheid en schittering. Welnu: Ons ziele oog is zulk een microscoop. De schijn erin is schoon, maar het wereldbeeld zoals het is, neen, dat zien we er niet in. We kunnen ons het ware wereldbeeld het best realiseren, als we de ogen gesloten hebben, het perspectief weg denken en het wereldbeeld dus ontmaskeren van optische schijn. Dit zal een blind geborene beter kunnen dan een ziende - een ziende bedot zich veelal dag in dag uit, soms tegen beter weten in. Of dit mij ook wel eens overkomt? Ja, nog wel eens!.....

We zien slechts intern.

In de bioscoop vertoont men de film op het witte doek. Het filmbeeld is ontastbaar, dus niet iets. De film die we in onze kijkers aanschouwen is evenmin iets. Men kan dus zeggen: Ik zit doorlopend met een vrijkaart in mijn eigen bios.

Dat men bij een baby in de leer kan gaan, bij zijn gedragingen zodra hij zich iets begint bewust te worden van de dingen om zich heen, daar staat niet ieder bij stil. Het zijn niet altijd de hoger geschoolden van wie de lager geschoolden kunnen leren. Hoe veel intellectuelen laten zich niet door dieren onderwijzen: de mieren, de bezige bijen etcetera. Het kinderwezentje aanschouwt het eerst het licht dat in de heldere materie der kijkertjes weerschijnt. Het ziet de lichtbron zelf niet, maar alleen het spiegelbeeld ervan. Eerst dan wanneer het kind enig besef krijgt, begrijpt het intuïtief dat het kopje gewend moet worden naar de eigenlijke lichtbron. Nu kan het beeld des te voller in de spiegeltjes waargenomen worden. Ouder geworden grijpt het naar de lichtbron zelf, omdat het nu de richting in de gaten heeft. Het kind moet bij ondervinding nog, met tasten, leren dat er tussen het oogje en de lamp zoiets als afstand is. De gewaarwording is wel eigenaardig, daar het helemaal geen afstand ziet. In het oogje immers raakt het spiegelbeeld van het grijpende handje dat van de lamp. Beide spiegelbeelden raken elkaar in twee dimensies: het gevolg is dat het kind mis vat. Figuurlijk vergist het zich niet, wel letterlijk. Later, als het kind voor het eerst de sterrenhemel ziet, grijpt het ook daar naar. Ook nu raakt in het bolle spiegeltje van het oog het beeld van de hand het sterrenbeeld. Na veel misgrijpen wordt het kind successievelijk ontnuchterd en er zich van bewust dat de dingen verder af zijn dan het zich aanvankelijk dacht. En zo leert het steeds beter afstanden schatten, naarmate de beelden in het oog zich in grootte wijzigen. Indien nu het kind straks op school verkeerd wordt onderwezen in de bouw van het oog en het zien, zal het tegenover de ware gedaante van de wereld allicht in een droom voortleven. Dit is niet erg, als het maar geen leraar wordt en de droomtoestand overplant van kind tot kind.

In zijn boek "Het leven der ruimte" vertelt Maurice Maeterlinck: "Een blindgeborene verwierf na een operatie op zeventienjarige leeftijd het gezichtsvermogen. Kubus en bol leken hem vlak. Hij zag geen enkel verschil tussen een schijf en een bol. Slechts door ze aan te raken kon hij er zich rekenschap van geven dat ze niet gelijk waren. Hem ontbrak de zin van de ruimte, van het perspectief. Alle voorwerpen leken hem plat, zelfs het menselijk gezicht, ondanks het vooruitspringen van de neus en de holten der oogkassen; en gedurende verscheidene dagen leefde hij aldus in een wereld van twee afmetingen". Totdat.....gelijk wij van kindsbeen af, de jongen zich bewust werd dat er ook een derde afmeting is, die men niet reëel ziet, maar slechts waarneemt in het interessante perspectief.

Proefondervindelijke bewijzen onzer kortzichtigheid

Studenten vroegen me: "Kunt u pertinent bewijzen dat we alleen dat zien wat zich in het oog afspeelt?" Ik antwoordde: Ja zeker, overtuig u zelf. Opletten: Sluit even één oog en wijs met de vinger naar de wandklok. Het lijkt nu of de vinger de klok raakt - u ziet tussen de vingertop en de klok geen afstand meer. Afgezien nu van de tijd, begint ge te weten hoe laat het is. We gaan naar buiten. Ge ziet een toren op tien kilometer afstand. U dient dus feitelijk te zeggen: Uit de verhouding van het torenbeeld tot grotere beelden van nabije objecten in mijn oog heb ik, door ervaring, leren schatten dat de echte toren ongeveer tien kilometer verwijderd is. Sluit nu wederom één oog en wijs met de vinger naar de toren. Evenals zojuist het vingerbeeld het klokbeeld raakte, raakt thans het vingerbeeld het torenbeeld.

Het wekt de illusie alsof de echte vinger de echte toren raakt. Intussen verscheen de maan. Evenals van de zon krijgt men de indruk alsof hij echt op kwam. Het beeld was aanvankelijk niet erg helder, maar naarmate de maan nadert, wordt haar lichtend beeld in het oogbeeld in toenemende helderheid ontplooid. Richt op dezelfde wijze de vinger nu naar de maan. Nu raakt het vingerbeeld het maanbeeld, hier, in het oog. U ziet geen ruimte tussen beide. Deze proeven geven u reeds het bewijs dat men slechts naast zijn neus ziet hetgeen men ziet. En het met twee ogen - stereoscopisch - zien doet het voorkomen alsof we de dingen dan toch echt zien zoals ze zijn. Maar wie zich de ware toedracht streng wetenschappelijk realiserend bewust wordt, ontdekt dat dit op een vergissing berust.

Zullen we nog een paar maal en nu met beide ogen tegelijk, de proef op de som nemen? Goed. We wandelen even naar de nabije badplaats. Het is intussen duister geworden. Een rij lantaarnlichten toont aan dat de boulevard zeer lang is. Betreur het niet dat het een beetje begint te regenen, dit hebben we juist nodig. Ook de tegenwind komt ons van pas. Opletten: Staar nu, zonder met de ogen te knipperen, onder het lopen naar de reeks lichten voor u uit. Knipoog dus niet en let op hetgeen ge nu ziet. Ge ontwaart, telkens als er een regendroppel in het oog waait, om elk lichtpunt een enorme glinsterende ring. Ge komt hierdoor, zichtbaar, tot de overtuiging dat ge en de lantaarnlichten en de ringen niet ginds ziet, maar enkel op de grandioos vergrote bolle spiegel van het oog. Een enkele glinsterende waterring omcirkelt zelfs het beeld van een badhotel; u ziet het beeld van het hotel nog kleiner dan de ring, die op zichzelf reusachtig groot lijkt te zijn. Nu ziet men tevens het verste lantaarnlicht, hoewel in een kleinere projectie dan de dichterbij zijnde, even dichtbij als de eerste. Ook dit experiment leidt tot de nuchtere conclusie dat men niet verder zien kan dan de spiegel van zijn eigen oog. En daarvoor behoeft men niet bepaald bij avond langs een boulevard te wandelen, men kan het overal ontdekken.

Het regenbuitje is voorbij, de lucht is opgeklaard, de maan schijnt weer in haar volle helderheid. Ik vind dat we op deze mooie zomeravond wel even een trip naar de hoofdstad kunnen maken. Accoord? Goed, ik bel een taxi op....

Stap in. De chauffeur zal aanstonds onderweg de wagen even laten stoppen. Hier is het...we staan nu stil. Tussen twee boomstammen door ziet u de volle maan. Chauffeur, start nu maar weer. Kijk, onder het voortrijden nu schuiven de boomstambeelden in ons oog heel snel voorbij. De maan niet, deze verplaatst zich achter de stammen met eenzelfde snelheid als wij, tachtig kilometer per uur....

Er nadert een tegenligger met dezelfde snelheid als waarmee wij rijden. Daarin zitten ook mensen naar de maan te kijken, doch in flagrante tegenstelling met ons schouwspel, vliegt de maan met hen in omgekeerde richting mee. Onze maan heeft dus ook een tegenligger. "Nee" zegt men in de andere wagen "onze maan heeft een tegenligger". We hebben allemaal gelijk.

Het wordt druk op de weg. Met ongelijke snelheden rijden er veel wagens in beide richtingen. Wie van allen ziet nu eigenlijk de maan?....Zoveel mensen, zoveel manen, gevarieerd bewegend tegen elkander in. Elk ziet dus zijn eigen schijnmaan, welk verschijnsel men "de maan" noemt. Niet erg - wel fout!

Het spijt me dat de ober van het hotel, waarin we vannacht gelogeerd hebben, ons geen erwtensoep met kluif kon presenteren, want dan zou ik u een aardig verhaal verteld en gedemonstreerd hebben. Een jongen die het principe van de eb- en vloedbewegingen te kijk stelde. Met een bord erwtensoep met kluif? Ja, grappig, he. Heb echter nog even geduld, er komt wel een gelegenheid op het juiste moment.

Ik stel u nu voor in plaats van met de taxi, met de trein terug te keren....Thans snellen we midden door landouwen die nog dromen in de ochtendstond. Het zal u ook wel als kind reeds zijn opgevallen dat het vanuit de rijdende trein lijkt alsof het hele landschap draait. U kunt nu weten hoe dit komt. Al voortrijdende immers beschrijft het stereoscopisch beeld van het landschap in de gebogen oogspiegel natuurlijk een boog. Hierin vliegen de beelden van zeer nabije objecten, zoals zojuist de telegraafpalen, veel sneller voorbij dan de kleinere beelden van veraf gelegen objecten. Het is of gindse dingen, bomen en huizen, in plaats van te passeren, met de trein mee gaan. Ziet...op een afstand van een paar kilometer van ons bevindt zich, parallel met de spoorbaan, een bomenrij. De zon, die er laag boven heet te staan, staat verre van stil; hij scheert met grote vaart over de kruinen van de bomen, het lijkt of de bomen in tegengestelde richting van de zon gaan.

In de zojuist ons van tegengestelde richting passerende sneltrein ziet men hetzelfde schouwspel. Het voltrekt zich echter andersom. Hun zon vliegt, als tegenligger dus van onze zon, over het geboomte de andere kant uit. Beide vertoningen zijn dus onecht, ze spelen zich in de treincoupé af in ons oog. Op de keper beschouwd hebben nimmer twee mensen eenzelfde hemellichaam precies op dezelfde plaats gezien. Want elk ziet zijn eigen optisch hemelbeeld geprojecteerd naar de vorm van zijn eigen oogspiegel. Degene wiens ogen iets boller zijn dan van de ander, ziet alles natuurlijk kleiner, de verschillen kunnen zeer beduidend zijn. Er zijn geen twee mensen aan elkaar gelijk en zo ook geen twee precies gelijke oogparen, zodat er ook verschil in het waarnemen van de grootte der dingen is, van lengte, breedte en diepte. De een ziet een kilometer langer of korter dan de ander en beide bazelen over zoveel afgelegde kilometers. Gelukkig maar dat we het contrast niet in de gaten hebben, anders hadden we er gisteravond nog ruzie om kunnen krijgen, omdat de een zijn portie ijs in een grote beker voor zich kreeg en de ander, voor dezelfde prijs, in een pietluttig pulletje.

Het nachtbeeld

Ik ben blij dat we weer in ons gezellig huisje in de duinen zijn gearriveerd en op het terras zitten. In deze late namiddag nu neemt de schemering toe, even gestadig als de zon zich van ons verwijdert en de illusie van een daling biedt. Ziet, het zonnebeeld raakt thans in het perspectief het einderbeeld; de helft ervan is al optisch met de optische horizon verdicht. Nu lijkt de vuurbol geheel te zijn verdwenen. Successievelijk verdicht zich nu ook in het perspectief het daglichtbeeld tot schijnbare schemer en duisternis.

Als heraut des hemels heeft Venus de komst der heirscharen aangekondigd, de sterren verschijnen bij honderdtallen. Ginds? Pas op; het planetarium - zoals we het maar zullen noemen - is zoals u het ziet slechts het minieme en tegelijk enorm vergrote filmbeeld in uw individuele cinema. We menen wakker te zijn met te denken dat we de reële sterrenhemel zien. Maar ontwaakt, komen we tot de ontnuchtering dat we maar een schijnsterrenhemel zien. De werkelijkheid is heel anders, zo machtig en zo schoon als men zich moeilijk ook maar bij benadering voor kan stellen. Het Universum dat geen optische verdichting kent en zich er in zijn ware proporties in haar volle glans en majesteit spreidt, trekt zich immers van het primitieve oogbeeldje van de kleine mens niets aan, ook al ontwaart men in zijn kleinheid de projectie ervan op zichzelf reusachtig vergroot. We zouden het generale festijn wel eens even in zijn ware helderheid en grootte willen zien, al was het maar in een flits, in een deel van een seconde. Toch....wanneer we de ogen gesloten hebben, prijken de sterren daarboven op hun ware grootte. Bij het openen der ogen lijkt de hemelse dageraad gevloden en toch bevinden we ons er nog in.

Volgens wijlen professor Pannekoek kan men de beweging van de noordelijke sterrenhemel makkelijk nabootsen door een opgestoken paraplu schuin naar het noorden boven het hoofd te houden en haar dan om de stok als as te laten ronddraaien, Mis!....de draaiende paraplu geeft niet de ware sterrenhemel weer, die zelf niet eens koepelvormig maar schijfvormig is: hij geeft slechts de koepelvormige projectie in het oog weer.

Waarom zinspeelde de astronoom met de paraplu niet op het zuidelijk halfrond? Volgens de globe zou het op het zelfde neer komen, maar......zo is het niet. Het verloop der bewegingen van het gesternte is daar ginds in de buurt van het grensoord van de platte aarde, waar men zich een tweede poolgebied dacht, anders. De vooropgezette berekeningen bleken dan ook, in velerlei opzicht, niet juist te zijn. Dit had bijvoorbeeld tot gevolg dat de meteorologen de schrik om het hart sloeg en zij - met recht? - de handen in ergernis ten hemel hieven, zoals een expeditieleider heeft verklaard.

Onlangs bevond ik me op het Damplein te Amsterdam, waar het me opviel dat er mensen naar de hemel keken. Wat was er aan de hand? Er was, op zeer grote hoogte, tegen de blauwe hemel een reclames-schrijver bezig. Vlak boven het plein trok hij een heel grote letter "O". De O lag er natuurlijk in het waterpas, men zou er met luchtafweergeschut zo doorheen hebben kunnen schieten. Terstond hierna stapte ik in de trein naar Hilversum, en aangezien de spoorbaan in deze richting een boog beschrijft, kon ik vanuit de coupé de letter O langdurig in het oog houden. Toen ik echter Hilversum naderde, en dus vijfentwintig kilometer van Amsterdam verwijderd was, zag ik de O niet alleen veel lager aan de hemel maar in plaats van in het waterpas erg hellend alsof men er ook nu, van Hilversum uit, een projectiel doorheen zou kunnen schieten. Ik verzeker u dat men aan de andere kant van Amsterdam, bijvoorbeeld in de buurt van Haarlem, IJmuiden en Purmerend, laag aan de hemel eenzelfde letter O in een scheve stand naar hen gericht zag, elk naar zijn eigen boogstand geheel verschillend van elkaar, niettegenstaande de O waterpas lag op heel grote hoogte boven Amsterdam. Op nog grotere afstanden zou men de O in een bijna verticale stand op de gezichtseinder waarge nomen kunnen hebben. Zo nu doet precies hetzelfde gezichtsbedrog zich voor als men in de nacht de sterrenbeelden in een scheve stand nabij de einder ziet, terwijl deze in werkelijkheid hoog aan de hemel parallel met de platte aarde kunnen liggen.

Het verschil tussen de ooglens en de cameralens

In de camera staat de gevoelige plaat achter de lens. In de voorste pool van de lens projecteren de beelden zich rechtstandig waarna zij zich via de achterste pool omgekeerd op de filmband vastleggen. De lens en de band zijn stomme dingen.

Nu is de ooglens van de mens ook een stom geval, ware het niet dat interno er achter school, en zich ermee vereenzelvigde. In plaats van een gevoelige plaat nodig te hebben, die, op een zekere distantie, achter de ooglens zou moeten staan als in een fototoestel, associeert het interne oog zich direct met de achterste pool van de ooglens en ziet bewust de projectie in de voorste pool rechtstandig. Interno is als het ware één met de stereoscopische projectie - het wezen woont er middenin. Het verschil van de constructie van de camera met die van de wezenlijke camera van de mens is dus groot. Toch nemen beide alle beelden op in het perspectief in de bolvorm van de lenzen.

Zelfbedrog

Toen ik eens een boot nakeek, waarmee zojuist een verwant was vertrokken naar Indonesië, scheen het alsof de boot steeds kleiner werd, totdat hij uit het gezicht was. Uit het gezicht, het oog? Geen kwestie van, er verdwijnt niets uit het oog, alles wordt er echter zo klein in, dat men zich de beelden, ondanks de enorme vergroting, niet meer bewust is, omdat de vergroting te kort schiet ons er ook nog maar het geringste van gewaar te laten worden. Weken nadien stond ik opnieuw aan de haven, ik volgde, zij het maar in de geest, nogmaals de boot, totdat ik in een visioen de verwant veilig en wel zag zitten tussen de palmen op Sumatra. Mijn gedachten verplaatsten zich horizontaal naar het verre oosten, als radar: heen en terug - radar, het kostelijke woord dat teruglezende "radar" blijft. Stel dat u in mijn plaats aan de kust stond in eenzelfde geval, met dezelfde ervaring en u door een gedachtenlezer op de schouder werd getikt, die zei: "Dromer, hoe kun je in horizontale richting naar het verre oosten staren, terwijl in werkelijkheid het oosten hier.....onder de grond is!" Ge zoudt dan allicht wel even beduusd opkijken, u afvragende: Bedriegt mijn intuïtieve blik zich, of.....is die snuggere bollandist abuis?

Er zijn veel`pseudo- maar ook waarlijk hoog begaafde helderzienden, waarmee niet valt te spotten. Spotters krijgen trouwens -_ hoe merkwaardig - geen kans om intiem met hoogbegaafden in contact te komen met vruchtdragende gevolgen. Dat ik dit geluk wel had, schrijf ik zeker niet aan eigen verdiensten toe; ik had het dan toch maar. Hij gaf herhaalde malen onmiskenbaar blijk dat hij - onafhankelijk van het materie-oog - vermocht te zien. Hij zag medemensen die, volgens het schoolonderwijs, ergens op de kop zouden moeten lopen ten opzichte van hem. Hij zag de betrokkenen klaar als de dag - ook bij nacht -; hij beschreef hun situaties op dat ogenblik, die bij nadere contactopname met verbazing als juist bevestigd werden, en dus bewezen feiten zijn. Als hij er zich op instelde bestond er voor zijn blik geen einder, hij zag op een platte aarde het wereldgebeuren rechtstandig voor zich, behalve natuurlijk artiesten die op dat moment ondersteboven aan trapeze's hingen. Allemaal zelfbedrog?

Een ontdekking

Het meest overtuigend bewijs dat we niet met, maar in het oog zien, staaft namelijk de volgende ontdekking: Ik kreeg eens zwarte lakspatjes in mijn ogen. Men raadde me: "Ga er direct mee naar de dokter". Ik vond het echter veel te interessant. Ik was met het gelukkige-ongelukje zeer ingenomen, aangezien het een openbaring voor me werd. Want het vraagstuk van het zien, waarover ik nog peinsde, was zomaar, zichtbaar, opgelost.

Mijn ogen waren dus getooid met zwarte vlekjes. Het waren maar onnozele spatjes die voor anderen nauwelijks waarneembaar waren. Maar ik zag ze des te beter, voor mij waren het plakkaten als op een glazen koepel van een sterrenwacht. Toch bleken de afmetingen zeer relatief te zijn, want toen ik de krant ging lezen leken de vlekken veel kleiner. Het viel me op, dat ik geen afstandsverschil zag tussen de letters en de vlekken. Keek ik de kamer rond, dan ontwaarde ik de bevlekte heldere koepel zo groot als het volume van het vertrek. Tussen de vlekken en de wanden bestond geen afstand. Ik ging met het interessante geval de straat op: de vlekken reikten nu tot aan het eindpunt van een lange straat. Buiten de stad gekomen, zag ik in de richting van een ver afgelegen dorp. Een deel van het dorp werd nu door de vlekken gecamoufleerd: er was tussen het silhouet ervan, tussen de toren en de vlekken alweer geen afstandsverschil te zien. Keek ik naar de wolkenhemel, dan was het oogspiegelwonder even groot als de stolpvorm, de witte wolken schoven de vlekken op hetzelfde vlak voorbij. Tussen de wolken door verscheen laag bezijden de verre torenspits de zon, tot waar nu ook de relatieve diepte van de gezichtskoepel reikte. Een overigens miniem vlekje scheen nog beduidend groter te zijn dan het zonnebeeld. Het werd nog imposanter, want toen ik in de nacht zag naar de sterrenhemel, bleek de oogspiegel zo omvangrijk te zijn als het aanschijn van de ganse hemelruimte: tussen de zwarte vlek- ken en het gesternte was niet het geringste afstandsverschil te zien. Eén vlek bedekte zelfs het sterrenbeeld De Grote Beer.

Kortom: Ik kwam, door aanschouwing, tot de wetenschap dat we de bolle oogspiegel dusdanig vergroot zien, dat het heldere gebogen oppervlak één lijkt te zijn met het volume van de kamer, één met de diepte van het vergezicht, het landschap, de wolkenhemel, ja, één met het volume van de ganse hemel ruimte. En deze ontdekking wordt ten overvloede nog gedekt door de algemeen geldende wetenschappelijke verklaring van het zien. Het bevestigt tevens mijn reeds gelanceerde visie, dat we uitsluitend en alleen tegen de projectie van de dingen in het oog aankijken, dat we er niet doorheen zien, behoudens zieners.

Hoewel het nog klaarlichte dag is, gaan we voor mijn rekening even naar een middagvoorstelling in de bioscoop. In de duistere zaal wordt er een prachtige kleurenfilm vertoond. We zien wilde golven beuken tegen nabije schepen, het spattend schuim verspreidt zich met de hevige windvlagen. Heel ver vaart een stoomboot met een rooksliert. De wolkenhemel, die samen schijnt te komen met het hoge niveau van de optische einder, sluit, verdicht, het verder zien af. Terwijl we ons nu op het schouwspel concentreren, leven we ons er geheel in. Waar echter de toeschouwers hier in de duistere zaal het allerminst aan denken, is dit: achter de perspectivische diepte van de vlakke film bevindt zich een tweede concrete zaal, vervolgens een concrete tuin waar het klaarlichte dag is. Het inleven met de filmvoorstelling wil ik nu even vergelijken met het inleven met onze individuele, stereoscopische filmvoorstelling waar we ons doorlopend in bevinden. Het kan in onze individuele cinema duister schijnen, terwijl het er buiten licht is, zij het dan licht waarvoor het materie-oog niet ontvankelijk is. Als we zeggen: De avond is gedaald, de duisternis deed haar intrede, betekent dit alleen maar: Het werd duister in mijn individuele beslotenheid, in het relatieve volume van de ooglens waar het wezenlijke oog zich blind in staart. En dit, terwijl het elders op een en hetzelfde aardplateau volop dag is in het individuele gezichtsvermogen van de mensen ginds. De bioscoop kunnen we tegen betaling binnengaan en naar believen weer verlaten, de individuele bios echter niet, daar blijven we - bevoorrechten die er wezenlijk bewust uit kunnen treden uitgezonderd - ons hele leven in.

De stedelijke cinema noem ik de dode, de individuele: de levende cinema. De dode cinema is afhankelijk van een operateur. De levende cinema is zelf en operateur en apparatuur en projector.

We zijn nu in de late avond nog eenmaal aan het strand. Men zegt doorgaans: De nacht is ingetreden. Ingetreden? Wáár kan de nacht in treden? De nacht kan nergens anders in treden dan in ons oog. Een schip, dat we zojuist nog konden zien, is thans niet meer waarneembaar. Overtuigt u met de kijker of het waarlijk duister is....er is zowaar weer schemering te zien. U ziet duidelijk weer het schip, de zeilen, tot zelfs de stuurman aan het roer, Hoe zit dat nu?

De kijkerlenzen hebben namelijk door vergroting het oogperspectief optisch weer enigszins ontvouwd waardoor de "verdichting" van het licht weer minder werd. Dit zou niet kunnen, wanneer het in de buurt van het schip echt duister was. Dat men nog wel eens door middel van geperfectioneerde optische instrumenten zou kunnen aantonen dat de zon niet echt ondergaat, lijkt me niet uitgesloten. De Amerikaanse luchtmacht beschikt reeds over een zogenaamd "katteoog", namelijk een apparaat door middel waarvan men in het duister zien kan alsof het volop daglicht was. Dit zag ik zelf wel eens enkele malen met het ziele-oog, op momenten dat ik de gewone ogen gesloten had. Voor mijn medemensen was het pikdonkere nacht - ik zag alles, behalve nachtelijk duister, het was binnen en buitenshuis licht, weldadig mat licht. Maar zulke gelukjes liggen niet voor het grijpen. Dacht u, dat bijvoorbeeld nachtvlinders niets zien en in het pikkedonker hun voedsel zoeken? Dat zij tussen een wirwar van obstakels, doornen van geboomte en struikgewas manoeuvreren in het duister zonder dat zij al deze hindernissen zien? Het is niet onaardig gevonden vleermuizen radar-eigenschappen toe te kennen. Dat zij in volslagen blindheid in hun gecompliceerde zwenkingen mugjes vangen, zonder ooit ergens tegenop te vliegen; met razende vaart hun schuilplaatsen terug vinden, zonder ook maar iets te zien, lijkt me ongeloofwaardig. Men nam met hen proeven in donkere vertrekken, maar wie zegt dat het daar voor de vleermuizen aardedonker was? Er gonst op bed een mugje om uw hoofd, u kunt het niet zien en slaat om u heen. De gonzer ziet u natuurlijk wel. En nadat u het opgeeft, landt hij netjes op het topje van uw neus en geeft met een gevoelig prikje een teken om u ervan te overtuigen dat hij u wél ziet. En de bult die u de volgende ochtend ontdekt, zal u er nog wel een poosje gevoelig aan herinneren. Als nachtdieren konden spreken, zouden zij de mensen les kunnen geven en bewijzen dat niet alles duister is wat men onder duisternis verstaat.

Experiment zonsondergang binnenshuis

Tegen middernacht zitten we weer gezellig in de salon. Thans bied ik een experiment aan dat u wellicht interessant zult vinden. Ziet, op manshoogte heb ik een cameralens bevestigd aan de wand, bij wijze van oogspiegel, waarmee de vorm overeenstemt.

Wilt u zo goed zijn u nu even in de serre te begeven, zo ver mogelijk van de lens af? Goed. Doet een van u de salonlamp even uit? Dank u. Kijk, in het duister ontsteek ik nu aan een lang snoer, een gloeilamp. Ik houd het lichtpunt, dat we de zon noemen, bij de wand hoog boven de lens. U ziet nu boven in de lens de reflex van het zonnetje. Nu verwijder ik me geleidelijk van de lens, de zon steeds even hoog houdend. Ziet u het?.....in de lens daalt het zonnebeeldje terwijl de echte zon in mijn hand niet daalt. Ik kom gestadig tot u in de serre......met almaar hoog in de hand de zon.

In de lens nu ziet u het zonnetje al lager en lager gaan. Als ik bij u in de serre ben, is het zonnetje tot in het midden van de lens gedaald; het kan in het bolle oppervlak niet lager dan het midden komen, omdat de echte zon boven het niveau ervan is en blijft. Ik ga met de zon nog verder, nu het terras op. Ziet u het?.....het "zonnetje" halveert zich nu in het midden van de lens.....nog een momentje en......na een laatste lichtend randje heft het zich op.

Stel nu, dat er midden achter de lens een gaatje in de wand zit, van waaruit een mier zag naar het lensschouwspel. Hij zag dan aanvankelijk hoog aan zijn hemeltje de zon staan, dalen en tenslotte halveren en verdwijnen. Het beeld van het terras helt in de lens, en als we het terras nu konden verlengen, dan zou zijn beeld zich tenslotte tot in het midden van de lens heffen als een gezichtseinder voor het oog van de mier. En tegen deze gezichtseinder zou het insekt het zonnebeeldje hebben zien verdwijnen alsof het een zonsondergang was. Dit kunnen we hier helaas niet volop demonstreren, doch de logica lijkt me voor u alleszins aannemelijk. Tracht u zich dit te realiseren: Wanneer ik mij nu met de zon hoog in de hand, almaar verder van de lens zou gaan verwijderen, zou de mier mijn persoon als het ware steeds kleiner hebben zien worden en tenslotte met de zon hebben zien verdwijnen in de lens, terwijl ik in werkelijkheid levensgroot bleef met de zon hoog in de hand in het volle licht. In het lenswereldje van de mier werd het daarentegen nacht. En bij mijn terugkeer, met de zon hoog in de hand, zou in het lenswereldje de ochtend gloren en met de perspectivische verschijning en verrijzing van het zonnebeeldje tenslotte weer volop dag worden.

Dit demonstreer ik nu, zij het van een veel kortere afstand: Kijk......in het midden van de lens manifesteert zich het halve zonnebeeldje tot vol, en naarmate ik dichter bij de lens kom, stijgt daarin het zonnetje, en de dageraad verrijst voor de mier.

Welnu; zo vergaat het ook u en mij! Interno zag in de externe lens - trots het feit dat de aarde plat is - een op-en-neergaand zonnebeeld tijdens wiens verloop de reële zon niet op en onder ging. We zijn en blijven in dit ondermaanse, als duikers in duikerpakken op deze bodem der luchtzee, wel zeer kortzichtig of we het willen of niet. Het gezegde: Hij ziet niet verder dan zijn neus lang is, geldt dus letterlijk voor ieder. De kip bijvoorbeeld bevindt zich daarentegen in een veel gunstiger positie. Diens oogspiegel is veel platter dan de onze, met gevolg dat de kip alles enorm vergroot ziet - hij ziet loens bij u op zoals u bij een wolkenkrabber. In de ochtend als het aan de einder voor ons nog maar schemerlicht is, zien de kippen allicht al het zonne randje en is het voor hen al klaarlichte dag. Daarom kraait de haan zo vroeg!......En zo zal het voor de kippen in de avond omgekeerd het geval zijn: namelijk langer licht.

"Dan moet u me eens vertellen waarom de kippen zo vroeg op stok gaan!” interrumpeerde in Amsterdam, in een volle zaal, een student. "Maar meneer" - zo spreekt de Haan "begrijpt u dat nou niet? Wij kippen doen verstandig, gelijk de boeren die voor dag en dauw opstaan en vroeg naar bed gaan, hoewel het dan nog klaarlichte dag is!.....”

Nu valt men mij zo dikwijls aan met de opmerking: In het perspectief zou de zon aan de avondhemel kleiner moeten lijken dan in de hoge dagstand, maar hij lijkt zelfs groter. Ja, maar dit schijnt zo, omdat we de hoog aan de hemel staande zon met geen enkel ander object kunnen vergelijken en dit is aan de avondhemel nabij de einder wel het geval.

Metingen hebben echter uitgemaakt dat de zon zich nabij de einder niet kleiner toont, maar even groot als in de hoge stand. Nee, niet kleiner en dat komt nu juist overeen met een platte aarde. Als de zon voor ons in Nederland in de middag de hoogste stand inneemt, staat hij boven Zuid-Afrika en zwaait, in haar scheve ecliptica, af naar het westen over Californië, om, naar het ons schijnt, kalm langs de gezichtseinder schuivend te verdwijnen. Nu is op de platte aarde de afstand tussen Nederland - Zuid-Afrika vrijwel gelijk aan de afstand Nederland-Californië en blijft de grootte van het zonnebeeld ook gelijk. Vanuit Australië bekeken en in andere Tropische gebieden, waar de zon meer rechtuit gaat en dus maar matig afzwaait zal haar beeld zich allicht wel kleiner voordoen nabij de gezichtseinder.

Pleidooi voor de platte Aarde

Aantekeningen